Er zijn bezoekers die binnenkomen en meteen naar de motorkap kijken. Anderen lopen eerst om de wagen heen, alsof ze hem een hand willen schudden. Wat mij na al die jaren is bijgebleven, is dat een auto die stilstaat toch altijd iets te zeggen heeft, als u maar de moeite neemt om te luisteren. Niet via een bordje op de muur, maar via de dingen die u ziet als u goed kijkt: een las die iets te breed is, een bout die ooit vervangen werd, een kleur die net niet helemaal klopt met de rest. Dat zijn de details die een archief u nooit geeft, en precies daarom is een rijdende of tentoongestelde wagen soms de beste bron die een museum heeft.
Wat een Carrosserie U Vertelt Over de Fabriek
Neem de carrosserie van een vooroorlogse Auto Union. Als u er vlak naast staat en uw hand langs de zijkant beweegt zonder aan te raken, voelt u, of liever gezegd ziet u, de lichte golving die het handwerk heeft achtergelaten. In die tijd werden de platen niet door een pers in de definitieve vorm gedrukt zoals dat later zou gaan. Een plaatwerker legde zijn handen op het metaal en klopte het, sloeg het, trok het langzaam in de goede richting. Dat klinkt romantisch, maar het was in de eerste plaats zwaar en nauwkeurig werk, waarbij de man aan de hamer precies moest weten hoeveel hij kon doen voor het materiaal zijn elasticiteit verloor.
Wat u aan zo’n wagen kunt aflezen, is de werkvolgorde. Waar begon de man? Welke naad werd als eerste gesloten? Die vragen zijn niet puur academisch. Als wij een beschadigd paneel moeten herstellen, is het van belang te begrijpen hoe het gemaakt werd, omdat u het dan ook op de juiste manier kunt demonteren en terugbrengen. Een restaurateur die dat niet weet, loopt het risico schade te veroorzaken op plaatsen die hij niet eens in het vizier had. De wagen zelf is dus een werkinstructie, geschreven in metaal.
De Rol van Oorspronkelijke Onderdelen in een Collectie
Er is een vraag die ik regelmatig krijg van bezoekers: hoe origineel is een museumwagen eigenlijk? Het is een eerlijke vraag, en het antwoord is bijna nooit eenvoudig. Een wagen die tachtig of negentig jaar oud is, heeft in die tijd dingen meegemaakt. Hij is gereden, gestald, soms verwaarloosd, soms overgerestaureerd door iemand die het goed bedoelde maar de verkeerde keuzes maakte. Elk van die fases heeft sporen nagelaten.
In onze collectie proberen wij onderscheid te maken tussen wat wij noemen het historische materiaal en het functionele materiaal. Historisch materiaal zijn de onderdelen die aantoonbaar uit de originele productie stammen: een gegoten motorblok met het juiste gietmerk, een instrumentenpaneel met de originele schaalverdeling, een stuurwiel waarvan de kern nog de juiste samenstelling heeft. Dat materiaal wordt zo min mogelijk aangeraakt. Functioneel materiaal zijn de onderdelen die nodig zijn om de wagen veilig te kunnen bewegen of tenminste in de juiste stand te houden: remonderdelen, afdichtingen, soms een riem of een slang. Die worden vervangen als het nodig is, maar altijd met documentatie van wat er uitging en wat er inging. Op die manier blijft de geschiedenis van de wagen leesbaar, ook voor degenen die na ons komen.
Wat mij daarbij altijd bezighoudt, is de vraag waar de grens ligt. Een bout is een bout, zegt u misschien. Maar een bout met het juiste draadprofiel, de juiste kopvorm en de juiste legering vertelt u iets over de normen die de fabriek hanteerde. Vervang hem door een moderne bout en dat verhaal verdwijnt. Wij bewaren de originele bout dan ook, zelfs als hij niet meer in gebruik is, en leggen hem bij de documentatie van die wagen.
Hoe Archiefvondsten het Beeld Bijstellen
Het archief en de wagen werken het beste als ze samen worden gelezen. Dat klinkt vanzelfsprekend, maar in de praktijk zijn er genoeg gevallen waarbij een tekening uit het archief en de werkelijkheid van de wagen niet overeenkomen. Soms is de tekening een ontwerpvoorstel dat nooit volledig werd uitgevoerd. Soms is de wagen later aangepast op een manier die niet gedocumenteerd werd. En soms is de tekening gewoon fout, omdat de tekenaar werkte op basis van een eerder ontwerp dat al was gewijzigd.
Ik herinner mij een geval waarbij wij een kabelgoot bestudeerden aan de binnenzijde van een koetswerk. Volgens de tekening liep de kabel op een bepaalde hoogte, maar in de wagen zelf zat hij tien centimeter lager. Wij hebben dat eerst als een afwijking beschouwd, een fout of een latere aanpassing. Maar toen wij andere wagens uit dezelfde serie bekeken, bleek dat zij allemaal die lagere ligging hadden. De tekening was dus het voorstel, en de fabriek had op de vloer een andere keuze gemaakt, waarschijnlijk om praktische redenen die nooit zijn opgeschreven. Zonder de wagen hadden wij dat nooit geweten.
Dat soort ontdekkingen zijn voor ons geen triomfen maar correcties. Wij passen de documentatie aan, wij noteren de bevinding en wij bewaren beide versies: de tekening met de oorspronkelijke aanduiding en de aantekening met wat de wagen laat zien. Zo bouwt een collectie kennis op die verder gaat dan wat er ooit bedoeld was te bewaren.
Bezoekers als Onverwachte Bronnen
Er is nog een manier waarop kennis de collectie binnenkomt, en die wordt weleens onderschat: de bezoeker. Niet elke bezoeker, dat spreekt voor zich, maar er komen mensen binnen die een bepaalde wagen of een bepaald type van nabij hebben gekend. Een voormalig werknemer van een carrosseriebedrijf dat in de jaren vijftig nog reparaties uitvoerde aan vooroorlogse wagens. Een vrouw wier vader een bepaald model had gereden en die nog foto’s mee heeft van een uitstap in de jaren zestig. Een gepensioneerde ingenieur die iets weet over de leverancier van een bepaald onderdeel.
Wij proberen die gesprekken altijd te documenteren. Niet omdat elke herinnering feitelijk betrouwbaar is, want dat is zij niet altijd, maar omdat zij soms een aanwijzing geven die wij anders nooit hadden gevonden. Een naam, een plaatsnaam, een detail over een procedure. Dat soort informatie is niet terug te vinden in een catalogus of een technisch handboek. Het zit in de hoofden van mensen die er ooit bij waren, en die hoofden zijn eindig.
Daarom hangt er bij de ingang van het museum een klein bordje waarop bezoekers worden uitgenodigd om te vertellen wat zij weten. Niet iedereen reageert daarop, maar wie dat wel doet, levert soms iets op wat de collectie verder brengt. Een museum is geen gesloten bewaarplaats. Het is een gesprek, en dat gesprek is nooit af.
Leave a Reply